HONDERD MOOIE STELLINGWARVER WOORDEN, ZIEKIEK:

aachtergatsneve, aachtergatsnichte - achterneef, achternicht of zoon/dochter ervan
aachterneers - achterwaarts, rugwaarts
addervere - eikvaren e.d.
altemet - 1. af en toe 2. misschien
aolestreep - 1. donkere streep over de rug van paard of ezel 2. paard of ezel met zo'n tekening
atepoele - 1. erwtepeul 2. erwtestruik 3. erwt
babbelegoegies - praatjes, fratsen
baanderdeure, baanzeldeure, baangeldeure - bansdeur, grote schuurdeur
baandig - druk, zwaar (m.b.t. het leven)
baentiesman - ambtenaar
bakkeran - 1. doodmoe 2. vrij van schuld 3. failliet
bakkiesman - marskramer (met koopwaar in een bak)
bangeschieter - bangerik
baoke - baken
butermeensken - mensen die van buiten de eigen gemeenschap zijn
centers - niet bepaald prijzig
daaien - verdragen van de hitte van iets
daampien - bepaalde stoel van teen (gemaakt in Noordwolde)
daele - neer, naar beneden
dagregen - regen die de hele dag blijft
dangelen - knoeien, niet opschieten
daoke - 1. rieten dak 2. laag riet onder de dakpannen 3. dak van stro 4. dak 5.
      laag, nat stuk land, vaak met hei en bentgras 6. lange strook grond in het
      heideveld 7. flinke laag van bijvoorbeeld gras dat groeit
delle - 1. langwerpige verlaging, laagte 2. kuilvormig litteken
diedelen - 1. enigszins huppelend, dartelend gaan 2. onvast gaan of zitten
doemske, doemelske - duimeling, los bekleedsel voor een duim
doukies - zo dadelijk, straks
druusken - opscheppen, zwetsen
dwirrelen - dwarrelend vallen en verder waaien van blad e.d.
eigengered, eigenred(de) - zelf vervaardigd (vooral van kleding)
eigenwetig - gezegd van iemand die slecht wil luisteren
entepiekeweer - mooi zacht, enigszins regenachtig weer
Evert - aanduiding van de zon, ook in luie Evert
evertaske, eveltaske - hagedis
fittelen - flink, gezwind lopen
flapwiend - afwisselend zwakke en krachtige wind, windvlaag
fotselzak - iemand die met kleine pasjes en onbeholpen loopt
frabberig - steeds op vinnige wijze dwars
gemaek - opbrengst, vooral van de boerderij, de tuin
giepse, ook giespe - 1. taaie en veerkrachtige dunne tak met een paar zijtakken, om mee te
      straffen of om vee mee aan te drijven
giesel - 1. snelle, onfortuinlijke beweging 2. klap 3. financiėle klap 4. gesel, strafwerktuig
      waarmee men geselt 4. wat als een geseling wordt ervaren 5. korte wandeling
giesp - mannelijke eend
goezebroek - 1. domme persoon 2. nietsnut, leegloper
hoetelen - flink bestraffend toespreken
hulterig - oneffen (m.b.t. een straat, pad, terrein)
huudwark - (zwaar) lichamelijk werk
inrepelen - door te trappen, te staan doen uitzakken (van de kant van een sloot)
inschunen, instuken, instoeken, inscheinen – stiekem tegen iemand fluisteren, niet zelden om
      iemand op te zetten tegen een ander
integen, antegen - 1. tegemoet 2. tegen iets (zijnd)
jakkepoester - opschepper
jangat - 1. iemand die veel thuis zit - 2. iemand die overal naar vraagt
kaantdeure - zijdeur aan de achterkant van een huis
kaonebelle - luidklok van elf uur
keutelhemmelen - kleine klusjes doen (door een oudere man op een boerderij)
kiebig, kiepig - 1. nijver, hardwerkend 2. gezond en kwiek 3. goed verzorgd, keurig 4. opgewekt, vrolijk
kilsterderi\'je - geruzie, gekrakeel
klaeterjaeger - klanknabootsend woord voor de ratelpopulier
konkelfoezen - smoezen, stiekem bespreken
leewieken - 1. kortwieken (lett.) 2. de macht ontnemen
lichtkaans - wellicht, zeer waarschijnlijk
liegepoede, liegpoede - leugenaar
lotteren - uithoren door indirect te vragen of door eromheen te praten
luddeveduh - liefdesverdriet
mannegiesmaote - (van het eten of drinken) gewone portie, niet te grote hoeveelheid
maodelaand, maodlaand - laag gelegen hooiland, veelal in de buurt van een riviertje
meenskeweer - redelijke weersomstandigheden
mekering, mekerige, mankering, mankeer - 1. tekortkoming, euvel 2. ziekte
menning(e), mennige - zandweg, karrespoor door het land, naar de akker, lange oprit naar een huis
ni'jdoen - benieuwen
nussieszuken - vitten naar aanleiding van kleinigheden
ofbujjen - wegtrekken van buien
omkrieten - omgeving
ommebeinselen, ommebaenselen - rondslenteren, heen en weer lopen, niet opschieten met wat
      men (buiten) doet
ommeraek - in hoge mate, enorm
paoskebloeme, paosbloeme - 1. narcis 2. (verkl.) madeliefje
pattie, pattien - sommige(n), een klein aantal
pienekeutel - overdreven zuinig iemand
prikkedille - klein, nietig ding van weinig waarde
raetelschellegien - twee exemplaren die bij elkaar horen maar toch niet goed bij elkaar passen
rangerig - licht gebouwd, dun
raetelschellig, rattelschellig, raetelschelf - 1. door gebruik geschonden 2. haveloos,
      onverzorgd (qua kleding) 3. niet meer met een stevig verband, niet meer goed sluitend
      (van wagens, kasten), scheef zittend 4. (van personen) slecht ter been, niet meer zo gezond
reddinge - 1. dat wat men nodig heeft, moet gebruiken om zich te redden 2. hulp ter verzorging
repelder - iemand die stoeit
ribbeschoer - flinke lichaamskracht
ringeltoppe - scherp, rond puntje van een koehoorn
schoelpiepen - smoezen, stiekem uitvoeren, heel zachtjes bespreken
smieuwken - mooipraten, vleien
smikseltien - smeerseltje
stienotter - in het koeienlichaam afgestorven kalfje (dat een versteende indruk maakt en
      enigszins op een otter lijkt)
tussenbeidenjonge - jongen van twaalf, dertien jaar
tuten - 1. kussen, zoenen 2. aansteken met een brandende sigaret 3. een bepaald geluid
      produceren: door bijenkoninginnen
ulferd - niet al te snuggere en/of lompe persoon
uutbollen - zich uitleven door te dartelen
uutwerigen - luchten: van dekens, kleding enz.
uutwusken - uitgeslapen, bij de tijd
verrusselen - ritselend bewegen
wenneske - wendakker
zaandzwelver - oeverzwaluw
zaedigen - verzadigd maken, goed voeden
zwaanselkont - iemand die slecht loopt
zwaarmhuden - bij z'n vrouw blijven wanneer die moet bevallen

Nog meer mooie woorden opzuken? Dat kuj' zels doen in et 'Stellingwarfs - Nederlands Verklarend Handwoordenboek'. De pepieren versie gelt 12,50 euro, de digitale kuj' veur privėgebruuk inzien of ok daelelaeden. Klik dan an: www.stellingplus.nl